Elke keer als ik langs een spiegel loop, blijf ik verbaasd staan. De vrouw die me aankijkt, herken ik niet. Haar blik is somber en droevig. Terwijl ik me juist blij voel.
“Wat is er met je aan de hand?” vraagt een vriendin geschrokken als ze me ziet. “Er is toch niets naars met je moeder of met je vriend gebeurd? Of ben je soms ziek? Het lijkt alsof je drie dagen hebt gehuild!”
Je zou inderdaad denken dat ik mijn de tranen dagenlang op hun beloop heb gelaten, zo treurig staar ik de wereld in. Tenminste, als je één kant van mijn gezicht bekijkt. Mijn linkeroog is namelijk opgezwollen en rood. Het geeft me een melancholische aanblik, alsof ik het leed van de wereld op mijn schouders draag. En dat nu al drie weken lang.
Op een zaterdagochtend in september werd ik wakker met een extra flapje huid boven mijn linkeroog. Een reserve-ooglid als het ware, voor het geval ik het oude exemplaar zou kwijtraken. Tekort geslapen, dacht ik, en besteedde er verder geen aandacht aan. Een dag later was het ooglid in omvang verdubbeld en brandde het harder dan een open haard. Een ijscompres en een dikke laag vaseline boden tijdelijk verlichting. Maar ze veranderden de huid rond mijn oog van biggetjesroze in brandweerautorood.
“Mens, wat heb je nou gedaan?” brulde mijn buurvrouw door de straat. “Je lijkt wel een verslagen bokser!” Ook de postbode en de groenteman onthielden zich niet van commentaar. Erger nog waren de mensen die juist niets zeiden, maar die in de supermarkt vanuit hun ooghoeken heimelijk naar mijn gehavende gezicht gluurden. Vast een man met losse handjes, zag ik ze denken.
Drie weken verder ben ik volledig paranoia en is mijn zelfvertrouwen tot een dieptepunt gedaald. Tijd voor een bezoekje aan de huisarts.
“Een allergie,” constateert die vrolijk. “Een week pillen slikken en je bent weer de oude.”
Al een paar uur na het eerste tablet neemt de zwelling af. Ik haal opgelucht adem. En neem me voor om nooit, nooit meer naar wie dan ook te staren.




