De beveiliging bij de ingang van de Tweede Kamer is veel strenger geworden, maar van binnen ziet het gebouw er nog net zo uit als twaalf jaar geleden. Toen kwam ik hier om als fractiemedewerker bij D66 aan de slag te gaan, nu om Mark Rutte te interviewen. Voor het magazine van ouderenbond ANBO.
De fractievoorzitter van de VVD heeft misschien wel de mooiste werkkamer van alle parlementsleden, met uitzicht op het Binnenhof en de Ridderzaal. Op deze grauwe wintermiddag slaat de regen onverbiddelijk tegen de hoge ramen. ‘Geeft niets’, lijken de gelakte houten meubels en de warme gele gordijnen te zeggen. ‘Hier binnen zit je veilig’. Met zo’n werkplek zou ik waarschijnlijk nooit meer buiten komen.
Rutte draagt een keurig donker pak, met daaronder een lichtblauw hemd. Zijn goudkleurige stropdas ligt op tafel, naast het Financieel Dagblad. “Ik heb een gruwelijke hekel aan dassen”, vertrouwt hij me toe. Maar voor de ANBO-fotograaf knoopt hij hem later toch om. “Ik denk dat de senioren dat wel waarderen.”
We nemen plaats aan de glimmende vergadertafel. Rutte en ik tegenover elkaar, VVD-voorlichter Bas naast zijn baas. De secretaresse serveert thee, groene voor Rutte, Earl Grey voor mij. Geen koekje erbij.
Rutte werpt een vluchtige blik op zijn aantekeningen. Dan steekt hij van wal met een bevlogen verhaal over pensioenfondsen en de zorg, over tweedeling en de AOW. Mijn kritische onderbrekingen lijken hem alleen maar enthousiaster te maken. In de discussie die volgt vergeet ik bijna dat ik hier zit om Rutte vragen te stellen, niet om hem van mijn eigen ideeën te overtuigen. Soms mis ik Tweede Kamer.
Een uur later is mijn tijd op, en mijn bandje vol. Tevreden loop ik naar het station. Een waterig zonnetje breekt door de wolken. Mijn stem zal Rutte nooit krijgen. Maar het wordt vast en zeker een goed artikel.
