Dinsdagochtend, kwart over zeven. Ik pak de waterkoker van het aanrecht. Een, twee, drie, vier, vijf tellen laat ik het water de kan instromen. Eigenlijk is tellen niet meer nodig; intuïtief weet ik op welk moment ik de hendel van de kraan resoluut naar beneden moet drukken. Dat ik geen water mocht verspillen kreeg ik als kind al ingeprent, lang voordat iemand nog van klimaatverandering had gehoord.
De weerstand van de schakelknop is prettig; een stevige duw wordt beloond met een duidelijk ‘klik’. Niet lang daarna begint het water in de ketel te ruizen. Ik verleg mijn aandacht naar de potjes op het granieten aanrechtblad. Zes in getal, luchtdicht, van doorschijnend plastic. Twee torens van telkens drie raampjes waarachter gekleurde labels prijken. Zomerthee staat er op één. Marokkaanse munt op een ander.
Vertwijfeld verplaats ik mijn gewicht van de ene voet op de andere. Vóórdat de ketel afslaat moet ik mijn keus hebben gemaakt. Ik open het bovenste potje van de linkertoren en snuif de geur op. Een beetje scherp, maar ook zoet. Te intens voor mijn opgewekte bui van vandaag. De keus valt op het middelste potje van rechts: Duizend en één nacht.
Nog elke keer word ik blij als de ketel afslaat, juist op het moment dat de thee in het zeefje valt. Even wachten tot het water van de kook is en opschenken maar. De theeblaadjes dwarrelen door het water, zwellen langzaam op. Met mijn ogen dicht hang ik boven de geurende damp.
Elke thee heeft zijn eigen trektijd. Die van Duizend-en-een-nacht is zo’n twintig seconden. Of twaalf keer met het zeefje op neer. De diep roodbruine kleur lijkt evenveel warmte uit te stralen als het hete water. Precies sterk genoeg. Het komt wel goed met deze dag.
