“Goedemorgen!”
Zijn begroeting is altijd even enthousiast. Hij heeft iets zangerigs in zijn stem, dat je bij Nederlanders niet vaak hoort.
“Hallo.”
Na drie jaar bijna dagelijks boodschappen bij hem te hebben gedaan weet ik nog steeds niet weet hoe mijn groenteman heet. En of hij echt wel uit Turkije komt, zoals ik vermoed.
“Wat een lekker weertje hè?” lacht hij.
Met een jeugdig elan springt hij uit het oude, witte busje, waarin hij zojuist nog met een kopje koffie de krant zat te lezen. Het busje is zijn tweede huis. ’s Ochtends vroeg rijdt hij ermee naar de markt, de rest van de dag gebruikt hij het als uitkijkpost. Voor elke voorbijganger heeft hij een vriendelijk woord.
“Zo heb ik toch een beetje het gevoel dat ik buiten leef,” vertrouwt hij me toe.
De zweem van melancholie in zijn stem verraadt dat een grijze straat in Amsterdam-Zuid het mediterrane platteland nooit helemaal kan vervangen.
Zomer of winter, hij draagt altijd dezelfde kleren: een vale spijkerbroek, een wit overhemd, een donkerblauwe bodywarmer en goedkope sportschoenen. Een groentemanuniform.
Opeens zie ik een grote klerenkast voor me. Zo’n spiegelkast, die de hele wand bedekt. In een hoekje ervan hangen drie spijkerbroeken, aan ijzeren hangertjes. Ernaast vijf witte overhemden. Alles keurig gestreken door zijn vrouw. Zij is degene die ervoor zorgt dat hij elke dag een schoon hemd aantrekt. Een andere broek hoeft maar eens per week.“Anders blijf ik wassen,” zegt ze tegen hem. Hij gaat niet in discussie.
“De mango’s zijn vandaag extra mooi!”
Teder poetst hij met zijn groezelige mouw de geelgroene schil van de vrucht tot die glimt.
“Heeft u ook rode paprika’s?”, vraag ik.
Terwijl hij een doos paprika’s uitpakt – “biologisch hoor!” – bestudeer ik zijn gezicht. Om zijn bruine ogen zitten tal van lachrimpeltjes. Zijn zwarte haar wordt snel dunner. Zijn mond is genereus, met volle lippen. “Lekker om te zoenen,” schiet er door mijn hoofd. Gegeneerd wend ik mijn gezicht af.
Zijn handen zijn groot en robuust, van iemand die veel buiten werkt. De huid een tint donkerder dan van zijn gezicht, en er zitten kloofjes in. “Tijd om handcrème te gaan gebruiken,” wil ik tegen hem zeggen. Maar ik durf het niet.
Morgen misschien.
